Napalm en duiven in Kim's ogen
1970: De tijd van flowerpower, hippies, protestdemonstraties. Kunst en cultuur bruisen. De wereld verandert. Vernieuwing, maar ook vernietiging. 'Stop de war, in Vietnam!'
Jongeren willen de wereld verbeteren. Ik ook. Make love, not war.
Als rijpe puber lig ik voor revalidatie in een kleine kliniek, verscholen in de bossen. Het is er goed. Prima dokters. Soepele verpleegsters, op een enkele zure oude hoofdzuster na. Oogluikend wordt er veel toegelaten. Maar de patiënten leggen de grenzen nog ruimer. Op de zaaltjes van de oudere jongens wordt 's avonds cognac gedronken. Voor ons naar binnen gesmokkeld door de schoonmaker, in zijn werkkarretje. Er wordt om geld gepokerd. Vlug een servet er overheen als de hoofdzuster binnenkomt. In de nachtkastjes liggen Candy's en ander snoepgoed. Overdag mag je met je rolstoel of lopend het bos in, als je het maar vantevoren vraagt en op tijd terug bent.
Vlakbij staat een oude villa, waar bleekneusjes herstellen. Er worden ook een paar Vietnamese kinderen opgevangen. Een daarvan is Kim. Ik zie haar voor het eerst als ze met een verpleegster door het bos wandelt. Haar armen en hals zitten vol littekens. Napalm. Haar gitzwarte haar valt naar achteren op het ritme van haar pas. Is ze een oor kwijt? God wat erg. Hoe oud zou ze zijn? 13? 15?
Ze gedraagt zich schuchter. Ze heeft gebrand in de hel van de oorlog en is nu in de hemel van een vredig opvangcentrum. In haar ogen zie ik angst, maar ook hoop. Uit het vuur vliegen vredesduiven.
Kim is mooi, ondanks haar littekens. Aziatisch mysterieus. Ze fascineert en vertedert me. Ben ik verliefd, of is het medelijden? Tijdens boswandelingen kom ik haar steeds vaker tegen. Eerst met een verpleegster, later loopt ze alleen. Ik spreek haar aan. We glimlachen verlegen. Ze spreekt nauwelijks Engels, maar gebaren en blikken zijn universeel.
'Paardrijden' in de rolstoel' Dikke pret! In mijn rolstoel doe ik een paard na.... ik schud mijn hippie-manen heen en weer en balanceer op mijn achterwielen. 'Wil je horseback rijden Kim?' Ik wijs naar mijn schoot en spreid mijn armen. (shit, als ze maar niet denkt dat ik wat anders bedoel). Ze giechelt en gaat met haar rug naar mij toe op mijn schoot zitten. Ze weegt niks. En dan galoppeer en hinnik ik. Want ik wil dat Kim weer lacht. Ze houdt zich vast aan de armsteunen van mijn rolstoel. Haar voeten haken zich vast achter mijn onderbenen. Zonlicht flitst door de boomtoppen op onze gezichten. Ze glimschatert haar Oosterse lach als ik hard over het hobbelige bospad rijd. De kraag van haar blouse zakt open en ik zie de littekens op haar rug. Ik vouw mijn armen om haar borst, trek haar kraag met mijn tanden nog wat lager, en kus haar hals en rug. 'I love you' zeg ik zacht. Ze leunt achterover, draait haar hoofd naar me toe en zegt 'I also love you, you is nice man.' Ze duwt haar bips steviger op mijn schoot.
We ontmoeten elkaar een tijdje elke dag.
Gebarentaal wordt vervangen door kusjes en friemels.
Angst verdwijnt. Onze ogen en mond lachen en gloeien.
Maar dan komt de dag dat ze weer terug moet naar haar familie.
We nemen triest afscheid en wisselen adressen uit. De brieven komen nooit aan. Maar ik weet zeker dat we nog vaak aan elkaar gedacht hebben.
Aan het vuur en de duiven.