Anneke van Santen (62) is één meter en dertig centimeter klein. Uit een gezin van acht kinderen en twee lange ouders is zij de enige met de botgroeistoornis Achondroplasie. Tien jaar werkte ze als bezigheidstherapeute. Toen ze afgekeurd werd, ging ze vrijwilligerswerk doen bij de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming (NVSH) en de Belangenvereniging Van Kleine Mensen (BVKM). Ze schildert, tekent, schrijft, luistert naar klassieke muziek, bezoekt tentoonstellingen, zorgt voor twee poezendames en gaat graag uiteten met haar vriendin. Ze mag graag lachen. Ze spaart boedha's, leest stripverhalen, maar ook 'goeie' boeken. Ze schrijft recensies over boeken en film waar kleine mensen een rol in spelen. Over haar klein zijn schreef Anneke het autobiografische boek 'De wereld op kruishoogte'. En nu schrijft ze ook voor Leefwijzer.
foto - Miep Jukkema
tijdschrift LINDA
Zwemmen
Wij woonden niet zo ver van Scheveningen en mijn vader ging in de vakantie met alle kinderen naar het strand. Dat was erg leuk, soms kregen wij ook nog een ijsje. Vergeet even niet dat dit in de jaren vijftig was, nog niet zo lang na de oorlog.
Wat velen van jullie je misschien niet kunnen voorstellen dat er op badpakgebied nog niet veel te krijgen was. Mijn eerste badpak (blauw) was gebreid! Door mijn lieve tante Annie. Het kriebelde natuurlijk als een gek en ik was er uiteindelijk niet zo blij mee. Als ik in zee was geweest hing het op mijn voeten, zwaar van het water. Daarbij droogde het ook erg langzaam.
Ik kon niet zwemmen. Ik was eigenlijk panisch van water. Door de groeistoornis gaven mijn benen niet genoeg tegenwicht om uit buikligging terug te komen in staande positie. Dus ik lag altijd met mijn (grote) hoofd in het water te snakken naar adem.
In de vijfde klas van de lagere school kregen wij zwemles (geen gebreid badpak meer). De meester van de klas ging mee en nam het hele spul het jongensbad in. Ik heb het hele jaar bibberend op het trapje gezeten, want ook in het ondiepe kwam het water als ik er in stond tot mijn oksel. Ik durfde niet, ik was bang en ik werd niet geholpen. Ik had, denk ik, ook geen vertrouwen in die man.
Dat jaar bleef ik zitten. Tot overmaat van ramp kreeg ik weer zwemles en had dus opnieuw een jaar op de trap zitten in het vooruitzicht.
Ik had nu een juffrouw die meeging. Wij kregen zwemles in het meisjesbad. Het ondiepe was mogelijk nog dieper dan het ondiepe van de jongens. Het water kwam nu tot mijn kin. Ik zat dus weer op de trap.
De tweede les kleedde ook de juffrouw zich om en kwam het water in. Prachtig vonden de meisjes dat. Ze kwam naar mij toe. Zij ging voor mij staan, pakte mijn beide handen en mij vasthoudend liep ze achteruit, mij zachtjes voorttrekkend. Zij bleef mij vasthouden, waardoor ik vertrouwen in haar kreeg dat ze mij niet zou loslaten. Daarna ging ze naar de badmeester en kwam met kurken terug. Een soort matje van dikke kurken dat bleef drijven. Dat hield ik dan vast voor me uit, zodat zij kon helpen mij te leren zwemmen.
Dat jaar heb ik geen zwemdiploma gehaald, maar het begin was er, dankzij het inzicht, geduld en de hulp van die schooljuffrouw. Later heb ik zwemles gehad in een aparte groep, waar ik in mijn eigen tempo het zwemdiploma heb gehaald.
Anneke van Santen.
Fragment uit 'De wereld op kruishoogte'