Spring naar de inhoud
Geplaatst: 22-12-2009 13:20 Door: admin
Annek van Santen

Mijn goede vriendin Annelies H. is net als ik klein en maakt gebruik van een elektrische rolstoel. Daardoor kan zij zich zelfstandig verplaatsen, mits de afstanden geen honderden kilometers zijn. Zij moest voor een onderzoek naar het ziekenhuis. Samen met haar man in de rolstoelbus gingen ze op pad.
De specialist overzag de situatie snel en zei: “Blijft u maar in de rolstoel zitten, dat is voor u veel makkelijker dan dat u op die onderzoekstafel moet klimmen”.
De doktersassistente die vanuit  haar ooghoeken naar Annelies had staan kijken had nog niets gedaan, maar toen liep ze naar Annelies toe en vroeg: “Wanneer bent u zo klein geworden?”
 Stilte.
Annelies, normaliter niet op haar mondje gevallen, was nu niet voorbereid op deze vraag van een volwassene. Ze wist zo gauw geen antwoord op een vraag die je wel van kinderen kunt verwachten maar niet van een volwassene, laat staan een gespecialiseerd iemand.
“Weet u dat niet?” zei de dokter daarna snel. “Mevrouw heeft een groeistoornis en dat heb je al bij de geboorte”.
Ik weet niet wat er later met deze ‘ intelligente’ assistente is gebeurd.
 
Laatst kwam ik twee kleine jochies tegen, die eerst van een afstandje naar mij en mijn rollator stonden te kijken. Toen ik stilstond en ze gedag zei, durfde een van de jochies te vragen: “Waarom ben jij zo klein?” 
“Omdat ik niet gegroeid ben”, antwoordde ik.
“O”, zei hij en ging weer verder met spelen. Kennelijk was dat een bevredigend antwoord. Ik vind ook dat dat moet. Je moet kleine kinderen niet met een kluitje in het riet sturen. Ik ben wel eens een moeder met kind tegengekomen waarvan dat kind de gebruikelijke vraag stelde over mijn klein zijn. Ze trok haar kind aan zijn arm verder en zei: “Die mevrouw heeft niet goed gegeten.”
Verontwaardigd vroeg ik haar: “Zie ik er zo uit?”, en tegen de jongen: “Nee hoor, dat komt niet van te weinig eten!”
Misschien was haar zoontje een slechte eter, maar ik ga kinderen niet bang maken of ouders helpen op een manier die ze op dat moment wel uitkomt (denken ze).

En laatst kwam ik een mevrouw tegen met haar dochtertje en een hondje.
Dit meisje had mij gezien en vroeg de gebruikelijke vraag aan haar moeder: "waarom is die mevrouw klein?"
"Die mevrouw heeft korte beentjes", zei ze "net als Flappie".
Zo'n antwoord had ik nog nooit gehoord, ik wist ook niet wie Flappie was.
Toen keek ik nog eens goed en zag dat de hond waar het over ging een teckel was. Ik moest
erg lachen en de mevrouw met mij.
Het kind echter keek nog eens aandachtig naar mij.
 
Ja, over sommige antwoorden moet je kunnen nadenken, nietwaar?
 

 
 Anne 

 

 


Anneke van Santen is één meter en dertig centimeter klein. Uit een gezin van acht kinderen en twee lange ouders is zij de enige met de botgroeistoornis Achondroplasie. Tien jaar werkte ze als bezigheidstherapeute. Toen ze afgekeurd werd, ging ze vrijwilligerswerk doen bij de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming (NVSH) en de Belangenvereniging Van Kleine Mensen (BVKM). Ze schildert, tekent, schrijft, luistert naar klassieke muziek, bezoekt tentoonstellingen, zorgt voor twee poezendames en gaat graag uiteten met haar vriendin. Ze mag graag lachen. Ze spaart boedha's, leest stripverhalen, maar ook 'goeie' boeken. Ze schrijft recensies over boeken en film waar kleine mensen een rol in spelen. Over haar klein zijn schreef Anneke het autobiografische boek 'De wereld op kruishoogte'. En nu schrijft ze ook voor Leefwijzer.

                          foto - Miep Jukkema tijdschrift LINDA