Anneke van Santen (62) is één meter en dertig centimeter klein. Uit een gezin van acht kinderen en twee lange ouders is zij de enige met de botgroeistoornis Achondroplasie. Tien jaar werkte ze als bezigheidstherapeute. Toen ze afgekeurd werd, ging ze vrijwilligerswerk doen bij de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming (NVSH) en de Belangenvereniging Van Kleine Mensen (BVKM). Ze schildert, tekent, schrijft, luistert naar klassieke muziek, bezoekt tentoonstellingen, zorgt voor twee poezendames en gaat graag uiteten met haar vriendin. Ze mag graag lachen. Ze spaart boedha's, leest stripverhalen, maar ook 'goeie' boeken. Ze schrijft recensies over boeken en film waar kleine mensen een rol in spelen. Over haar klein zijn schreef Anneke het autobiografische boek 'De wereld op kruishoogte'. En nu schrijft ze ook voor Leefwijzer.
foto - Miep Jukkema
tijdschrift LINDA
Doortje en Floortje
Ik las laatst een column van Midas Dekkers. Een man naar mijn hart, zeker wat betreft zijn voorliefde voor poezen. Maar zo veel katten als hij heeft, heb ik niet, hoor. Ik heb er twee: Doortje en Floortje. Twee zussen die ik als hele kleine katjes kreeg.
Doortje is helemaal wit met een blauw en een groen oog. Zeer bijzonder. Ze is een felle. Als ze het naar haar zin heeft, worden haar oortjes en ook haar neusje doorzichtig roze. Ik moet altijd erg om haar lachen. Als ze aandacht wilt komt ze luid miauwend aangerend en springt ze op mijn toetsenbord. Ik moet dan als de bliksem het toetsenbord wegschuiven om te voorkomen dat mijn tekst ineens verdwijnt.
Zuslief doet eigenlijk hetzelfde, maar dan bedachtzamer en veel rustiger. Zij is donkergrijs, heeft een wit streepje op haar neus, witte voetjes en een witte bef die doorloopt tot onder haar buik. Ze is lichter en slanker. Hoewel ze met eten de baas is, wordt ze vaak 'besprongen' door zuslief (die wil spelen). Dat geeft een hoop geblaas en geren door het huis.
Een keer blies ik zomaar op een piepkleine mondharmonica, de dametjes kwamen onmiddellijk op het geluid af. Als ik de deur uit ga wil ik altijd weten waar ze zitten. Of ik ze niet per ongeluk opgesloten heb in de douche of de slaapkamer (ze lopen veel achter mij aan). Of dat ze op het balkon zitten en ik het poezenluik heb dichtgedaan. Als ik ze dan niet kan vinden, dan blaas ik even op de mondharmonica en dan komen ze onmiddellijk tevoorschijn.
Ook al ben ik 1 meter 30, ik heb wel hoge kasten. Kasten die hoger zijn dan ik en waar de poezen met gemak op kunnen springen zonder dat ik bij ze kan. Ze weten niet beter. Ze zijn niet gewend aan iemand die veel groter is dan ik, aan iemand die ze in hun snuit kan aankijken. Tegen langere mensen beginnen ze dan ook vaak te blazen. Maar als zo iemand eenmaal zit, dan willen ze nieuwsgierig als ze zijn - best wel tevoorschijn komen en zich laten aaien en vertroetelen.
Ik weet niet altijd waar ze zijn. Ik hoor ze ook niet altijd, soms liggen ze te slapen. Door het hele huis hebben ze zo hun favoriete plekken. Maar ze zijn er wel, dat weet ik, en dat is al genoeg om het samen gezellig te hebben.
Anneke van Santen
november 2007