Spring naar de inhoud
Geplaatst: 27-11-2008 14:23 Door: admin

Anneke van SantenAnneke van Santen (62) is één meter en dertig centimeter klein. Uit een gezin van acht kinderen en twee lange ouders is zij de enige met de botgroeistoornis Achondroplasie. Tien jaar werkte ze als bezigheidstherapeute. Toen ze afgekeurd werd, ging ze vrijwilligerswerk doen bij de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming (NVSH) en de Belangenvereniging Van Kleine Mensen (BVKM). Ze schildert, tekent, schrijft, luistert naar klassieke muziek, bezoekt tentoonstellingen, zorgt voor twee poezendames en gaat graag uiteten met haar vriendin. Ze mag graag lachen. Ze spaart boedha's, leest stripverhalen, maar ook 'goeie' boeken. Ze schrijft recensies over boeken en film waar kleine mensen een rol in spelen. Over haar klein zijn schreef Anneke het autobiografische boek 'De wereld op kruishoogte'. En nu schrijft ze ook voor Leefwijzer.

foto - Miep Jukkema tijdschrift LINDA 


Het uitstrijkje
(uit mijn boek: De wereld op kruishoogte)
 
Er zitten niet zoveel mensen in de wachtkamer. Ik ben op afspraak bij de huisarts
om een uitstrijkje te laten maken. Ik zit hier met gemengde gevoelens. Zo'n onderzoek vind ik erg belangrijk, maar ik weet wel zeker dat ik het afschuwelijk vind om met mijn benen wijd voor deze man te moeten liggen. Voor mijn vrijers wilde ik dat wel doen. Maar om mijn meest intieme plek zo ten toon te stellen? Maar goed. Ik zal toch die bezwaren en die gedachten aan de kant moeten zetten, wil ik aan dit (voor mij belangrijke) onderzoek meedoen.
“Gaat u mee?”
Wakker geschud uit mijn overpeinzingen ben ik ineens weer terug in de werkelijkheid.De assistente doet een deur open en we zijn in de onderzoekkamer, die ook iets weg heeft van een keuken, vanwege het aanrecht en andere rommel.
"Kleedt u zich van onderen maar even uit en gaat u dan op de onderzoektafel liggen", zegt ze.
"Hoe kom ik daarop?".
Ik vraag het haar snel doch beleefd voordat ze weer is verdwenen. Bereidwillig schuift ze een stoel bij.
Niet mijn favoriete opstap, maar het moet maar. In mijn blote kont kniel ik eerst met mijn ene been op de stoel en trek eenmaal erop mijn andere been erbij, zet dan die eerste voet plat erop, trek me omhoog en dan de laatste voet ook neer.
Ik sta.
Nu de tafel nog op.
Ondertussen denk ik koortsachtig na hoe ik me moet manoeuvreren om in liggende houding uit te komen. Mijn armen zijn immers veel te kort om mij bij het gaan liggen tegen te houden. Ik val altijd met een bons achterover, maar op zo'n smalle tafel weet ik niet of dat niet gevaarlijk is zonder er vanaf te kukelen. Ik ga eerst op handen en knieën staan, wil mijn benen er onderuit schuiven en trek en scheur daarmee het papier dat op de tafel ligt, met veel lawaai kapot. Ondertussen houdt de assistente, die toch maar is gebleven, mij tijdens het geklauter angstvallig in de gaten. Bij de laatste draaiing wil ze me tegenhouden. Ik doe nog een kwartslag en daar lig ik dan. Dat wil zeggen, ik val toch een stukje achterover, maar ik kom in het midden uit. Het papier zit overal, behalve onder mijn billen. Maar aangezien ik me niet kan opdrukken, doe ik geen poging om dat alsnog onder me te krijgen.
En dat alles zonder onderkleding: ik kan nauwelijks mijn jurk er een beetje overheen leggen.
Daar lig ik dan eindelijk, maar nog ben ik er niet.
De assistent vindt, dat ik mijn benen op de steunen moet leggen. Zigzaggend schuif ik dus naar het eind van de tafel met nog meer gekraak van het papier, tot ik echt niet meer verder durf (anders val ik er af) en ik kan nog net mijn voeten op de steunen leggen. Ik houd me angstvallig - voor zover mijn armen dat kunnen - aan de zijkanten van de tafel vast. Ik voel me allesbehalve prettig in deze situatie.
Als de assistente ervan verzekerd is dat ik stil zal blijven liggen - ik kan moeilijk anders in deze positie! - gaat ze weg.
'De dokter komt zo,' zegt ze nog.
 
Ik probeer me te ontspannen.
Daar lig ik dan: te kijk voor vriend en vijand en het duurt toch wel even eer de man er is.
 
Als alles achter de rug is, doet hij mijn jurk netjes naar beneden.
Hij zegt: "U mag eraf" en gaat weg.
Ik zet me met mijn voeten af tegen de steunen en duw mezelf omhoog, opgelucht dat het gevaar om in dat gat achter de tafel  te vallen is verdwenen. Ik schuif me eerst een stukje op naar rechts om me naar links op mijn buik te kunnen draaien. Ik voel hangend aan de zijkant van de tafel of de stoel er nog staat, voel de zitting, laat me zakken, kom weer op mijn knieën en klim van de stoel. Ik voel weer vaste grond. Ik kleed mij aan. Het papier ligt overal, soms in stukken, behalve op de tafel. Ik probeer de boel een beetje te ordenen. Na de gebruikelijke formaliteiten verlaat ik de wachtkamer, enigszins verward.
 
Anneke van Santen