Spring naar de inhoud
Geplaatst: 31-08-2009 13:24 Door: admin

Anneke van SantenAnneke van Santen (63) is één meter en dertig centimeter klein. Uit een gezin van acht kinderen en twee lange ouders is zij de enige met de botgroeistoornis Achondroplasie. Tien jaar werkte ze als bezigheidstherapeute. Toen ze afgekeurd werd, ging ze vrijwilligerswerk doen bij de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming (NVSH) en de Belangenvereniging Van Kleine Mensen (BVKM). Ze schildert, tekent, schrijft, luistert naar klassieke muziek, bezoekt tentoonstellingen, zorgt voor twee poezendames en gaat graag uiteten met haar vriendin. Ze mag graag lachen. Ze spaart boedha's, leest stripverhalen, maar ook 'goeie' boeken. Ze schrijft recensies over boeken en film waar kleine mensen een rol in spelen. Over haar klein zijn schreef Anneke het autobiografische boek 'De wereld op kruishoogte'. En nu schrijft ze ook voor Leefwijzer.

foto - Miep Jukkema tijdschrift LINDA 


Pijn
 
Dit stukje gaat over pijn.
Wie heeft er niet eens een keer zijn hoofd flink gestoten? Dat doet  v...... pijn.
Zijn duim tussen de deur gehad? Zich gesneden? Gevallen? Kortom, ik denk dat iedereen wel dit soort pijnen kent, al dan niet gepaard gaande met een blauwe plek. Dit soort pijn gaat gelukkig weer over.
Ik heb het over pijn die blijft, waar niets aan te doen is, waar geen operatie meer voor bestaat.
Die pijn.
Je wordt er door achtervolgd, het bepaalt je humeur, je manier van leven. Deze pijn is altijd aanwezig.
"Mee leren leven", zegt men. 
"Moet je boven staan, An". Ook al zo'n advies waar je niets aan hebt.
Hoezo boven?   
Toen het mij overkwam, ben ik in eerste instantie erg boos geworden. Boos over de beperkingen die er nog eens bijkwamen. Boos. Gewoon boos. Hartstikke boos. De omgeving dacht dat ik op hen boos was, maar nee: boos op mezelf. En Op mijn onmacht om er mee om te gaan. Daar had ik natuurlijk alleen mezelf maar mee. Met dat boos zijn op mezelf, hielp ik mijzelf niet echt.
 
Het begon een overheersend deel van mijn leven te worden. Ik leefde niet meer, ik was niet meer blij en vrolijk. Wat te doen? Het zoeken in kleine dingen: mijzelf dwingen op te ruimen, papieren te ordenen, mensen bellen en afspraken maken. De omgeving duidelijk maken dat het niet allemaal zo makkelijk gaat en dat ik pijn heb.
Ik kreeg een rolstoel en liet mij door familie door de Japanse tuin laten rijden. Mijn neef heeft mij geduwd. Dat was dolle pret. Van lieverlee kwam mijn goede humeur weer terug.


Wel bleef ik aan de bel van de medische instanties trekken. In mijn eigen ziekenhuis in Leiden konden ze niks meer voor me doen. Ik naar de pijnpolie in Den Haag. Dat werd weer een weg van wachten en onderzoeken. De eerste keer dat ik een pijnprik kreeg, lag ik te stuiteren op het bed. Ik geloof dat ik ook gegild heb, maar de pijnprik hielp wel. Ik heb dan ongeveer twee maanden minder last en kan veel meer doen. Ik ben nu bezig om de frequentie van mijn pijnprikken op te voeren, want die tussenliggende periodes zijn nog een beetje lang.
 
Dit stukje gaat over lichamelijke pijn. Niet te vergelijken met geestelijke pijn, misschien dat dat nog veel erger is. Daar bestaat nog geen pijnprik voor. Misschien dat die nog eens wordt uitgevonden.
 
Anneke