Geplaatst: 21-05-2012 09:08
Door:
YerrieH

Wie investeert in meer groen in met name stedelijke gebieden wordt daarvoor op meerdere fronten beloond. De omgeving wordt niet alleen mooier, het heeft ook een positief effect op de gezondheid van de bewoners omdat zij zich prettiger voelen en/of meer gaan bewegen. Via deze weg leidt het investeren in meer groen dan ook tot lagere kosten van zorg en ziekteverzuim. Een eerste onderzoek geeft als indicatieve uitkomst dat investeren ingroen alleen al daarom een economische waarde van honderden miljoenen vertegenwoordigt. groen alleen al daarom een economische waarde van honderden miljoenen vertegenwoordigt. Diverse wetenschappelijke onderzoeken hebben aangetoond dat een groene omgeving een positief effect heeft op tal van gebieden, waaronder de gezondheid van de bewoners. Een vertaling van dit effect naar economische waarde – in termen van onder meer vermeden zorgkosten – is echter niet of nauwelijks te vinden in de literatuur. In dit rapport is een eerste vingeroefening gedaan door op basis van twee casussen in kaart te brengen of het investeren in groen leidt tot die economische meerwaarde. Door meer begrip op te bouwen over deze verbanden is beter beleid mogelijk, omdat niet zozeer de kosten van groen of de kosten van zorg an sich centraal staan, maar de economische waarde van een investering. Veel wetenschappers menen dat de gezondheidseffecten op twee terreinen heel duidelijk zijn. Ten eerste is er sprake van minder depressies en angststoornissen bij bewoners. Ten tweede helpt meer groen bij de preventie van overgewicht (onder andere in relatie tot diabetes). Om de financiële impact van deze twee relaties in kaart te brengen is de Amsterdamse wijk Bos en Lommer als uitgangspunt genomen. Op basis van schattingen, wetenschappelijke ideeën en statistieken is een prognose gemaakt van het effect van 10 procent extra groen in deze wijk. De cijfers daarvan spreken voor zich. In 2014 zou het aantal depressieve patiënten in deze wijk na 10 procent meer groen met ongeveer 130 zijn afgenomen en de kosten van verzuim en zorg zouden als gevolg daarvan jaarlijks 800.000 euro lager uitvallen. De bandbreedte van deze exercitie is echter nog erg ruim. Met inbegrip van het positieve effect op overige ziekten waarop groen een positief effect heeft – zoals astma, diabetes, nek- en rugklachten, hartziekten – ligt de verwachte terugverdientijd tussen de 5 en12 jaar bij aanleg en onderhoud van groen tegen scherpe prijzen op reeds verworven gronden. Voor het bepalen van de economische waarde van meer groen voor het verlagen van het aantal mensen met overgewicht hebben we een aantal tussenstappen gemaakt. Het is evident dat meer groen leidt tot meer bewegen: kinderen in groene woonomgevingen spelen 15% meer buiten en jongens die meer buitenspelen hebben een lagere kans om obesitas te krijgen. Vervolgens zijn de lagere kosten voor zorg en verzuim berekend. Hetzelfde zou kunnen voor alle andere gezondheidseffecten waarvoor meer bewegen een positief effect heeft. Een voorzichtige opschaling van het effect van meer groen van de omgeving van 10 miljoen mensen laat zien dat er dan sprake kan zijn van een bate van 400 miljoen euro. Het grootste deel is vermeden verzuimkosten omdat er jaarlijks meer dan 50.000 werknemers minder ziek zijn.
Geplaatst: 21-05-2012 08:38
Door:
YerrieH

Kunnen patiënten, bij wie net de diagnose dementie is gesteld, beter door hun huisarts of een specialist worden behandeld? Onderzoek onder leiding van het Radboud Alzheimer Centrum wijst uit dat er geen verschil is tussen beide behandelingen. De zorgbehoefte van de patiënt zou daarom leidend moeten zijn voor de keuze die wordt gemaakt. Onderzoek bij dementiepatiëntenKunnen patiënten met dementie beter door huisartsen (de eerstelijn) of door geheugenpoliklinieken en Alzheimercentra (tweede- en derdelijn) worden behandeld en begeleid? Om een antwoord op die vraag te formuleren is onder leiding van dr. René Melis, arts-epidemioloog en prof. dr. Marcel Olde Rikkert, klinisch geriater van het Radboud Alzheimer Centrum, een onderzoek uitgevoerd bij dementiepatiënten in zes geheugenpoliklinieken en de drie Alzheimer Centra te Nijmegen, Amsterdam en Maastricht.Huisarts of specialist?Aan het onderzoek deden 175 patiënten mee, bij wie net de diagnose dementie was gesteld. Het toeval bepaalde wie daarna voor de behandeling werd toegewezen aan de eigen huisarts of aan een geheugenpolikliniek of Alzheimercentrum. Zestig procent van de patiënten had een dementie van het Alzheimer-type, waarbij de meeste patiënten een milde tot matige dementie hadden. Patiënten kregen wel of geen medicamenteuze behandeling, geheel volgens de richtlijnen voor medisch specialisten respectievelijk huisartsen.Verassend genoeg was er geen verschil in de kwaliteit van leven van de patiënten en de belasting van de mantelzorgers na zes en twaalf maanden, wanneer de patiënten door een huisarts of een specialist werden behandeld. Maar er werd wél een duidelijk verschil gevonden in de manier waarop huisarts en specialist hun patiënten behandelen. Olde Rikkert: “Specialisten op geheugenpoliklinieken wisselen bijvoorbeeld veel minder van medicatie en bouwen de medicatie ook langzamer op met goede monitoring. Huisartsen regelden daarentegen meer thuiszorg om de patiënt te ondersteunen.”Behoefte is bepalendVaak wordt aangenomen dat de behandeling van chronische ziekten het beste en goedkoopste in de eerste lijn kan plaatsvinden. Het multicenter onderzoek van het Radboud Alzheimer Centrum, dat online is verschenen in het gezaghebbende medische tijdschrift British Medical Journal, spreekt dat nu dus tegen. Op basis van de gegevens concluderen de onderzoekers dat de behoeften van de patiënt bepalend moeten zijn voor de keuze van de behandeling en begeleiding; huisarts of specialist. Olde Rikkert: “Onderzoek naar de kosten van de behandeling in eerste en tweede lijn volgen binnenkort, maar lijken ook veel minder te verschillen dan nu nog algemeen wordt gesteld. Voor het beleid van de zorg voor demente patiënten kan dat belangrijke gevolgen hebben.”
Geplaatst: 21-05-2012 08:36
Door:
YerrieH

In de waterleiding van het Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorg (CTM) van het UMC Groningen is de legionellabacterie gevonden. Alle afspraken met patiënten zijn een week opgeschoven. In die tijd hoopt het UMCG de bacterie te bestrijden. Dat liet het UMCG zondag weten. Patiënten die de afgelopen tijd zijn behandeld hebben een brief gekregen, maar het ziekenhuis zegt dat er een kleine kans is dat ze met de legionellabacterie zijn besmet. Als dat is gebeurd, is er een kleine kans dat zij ziekteverschijnselen krijgen, variërend van milde griepachtige verschijnselen tot in het ernstigste geval een longontsteking. Patiënten die in de eerste twee tot drie weken na hun bezoek aan het CTM last hebben gekregen van (ernstige) luchtwegklachten met koorts, wordt gevraagd contact op te nemen met hun huisarts. Ook medewerkers van het CTM en studenten van de opleidingen Tandheelkunde en Mondzorgkunde zijn op de hoogte gebracht. Patiënten die langer dan drie weken geleden het CTM bezochten en geen klachten hebben ontwikkeld, hoeven zich geen zorgen maken. Patiëntgebonden onderwijs Deze maatregel heeft ook invloed op de opleidingen tot tandarts, mondhygiënist en tandartsassistent. Er kan in de komende week geen patiëntgebonden onderwijs gegeven worden, en ook de practica in het CTM-skillslab, dat is aangesloten op dezelfde waterleiding, kunnen voorlopig niet doorgaan. Dit kan invloed hebben op de studievoortgang van studenten. Risico overige patiënten De waterleiding van het CTM is gescheiden van de waterleiding van de rest van het UMCG. Patiënten en medewerkers van andere afdelingen lopen geen daarom geen risico op besmetting.
Geplaatst: 21-05-2012 08:31
Door:
YerrieH

Tinnitus, ook wel bekend als 'oorsuizen', is een veelvoorkomende gehooraandoening die wordt gekenmerkt door de subjectieve waarneming van geluid (meestal een hoge toon) in een stille omgeving. Hoewel niet levensbedreigend kan tinnitus ingrijpende gevolgen hebben voor het dagelijks functioneren, en helaas bestaan er vooralsnog geen bevredigende behandeltherapieën. Algemeen wordt verondersteld dat tinnitus veroorzaakt wordt doordat hersengebieden die betrokken zijn bij de verwerking van bepaalde tonen spontaan abnormale activiteit vertonen. Voor het eerst zijn in de mens nauwkeurige metingen uitgevoerd naar de activiteit van de hersengebieden die betrokken zijn bij Tinnitus (‘oorsuizen’). Via innovatieve meet- en analysetechnieken lukte het gehooronderzoeker Dave Langers van de afdeling KNO van het UMCG een studie uit te voeren naar de gevoeligheid voor toonhoogte van de hersenen van zowel tinnituspatiënten als niet-patiënten. Uit zijn onderzoek blijkt dat de gevoeligheid voor toonhoogte in tinnituspatiënten niet meetbaar afwijkt van normaalhorenden. Dit is een nieuw beeld dat afwijkt van een aantal gangbare ideeën over geluidsverwerking in de hersenen, zowel in normaalhorenden als in tinnituspatiënten. Dit betekent dat tinnitus een andere oorzaak heeft dat tot nu toe verondersteld is. Langers publiceert deze maand over zijn studie in de wetenschappelijk magazines Cerebral Cortex en in Frontiers in Systems Neuroscience. GeluidsverwerkingGeluidsverwerking vindt plaats in een aantal auditieve gebieden van de hersenen. Op grond van metingen in mensapen vertonen deze gebieden een organisatie waarin lage en hoge tonen grotendeels in afzonderlijke deelgebieden worden verwerkt, volgens een principe dat bekend staat als tonotopie. Wegens beperkingen van beschikbare technieken was een dergelijke tonotopische organisatie in de mens voorheen echter slechts gebrekkig aantoonbaar en moeilijk interpreteerbaar. In de afgelopen twee jaar zijn internationaal een aantal onderzoekers er echter in geslaagd om gedetailleerd en eenduidig de gevoeligheid voor toonhoogte van de auditieve hersenschors in kaart te brengen. Geen afwijking gevoeligheid toonhoogteUniek aan de Groningse studie was dat, naast normaalhorenden, ook tinnituspatiënten deelnamen. Op grond van bestaande hypothesen werd verwacht dat in tinnituspatiënten met name de hoge-tonen-gebieden in de hersenen overmatig gevoelig zijn, waardoor de tonotopische representatie verstoord zou zijn. Dit is echter nooit rechtstreeks aangetoond. Opmerkelijk genoeg bleek uit de nieuwe meetuitkomsten geen enkel significant verschil: de gevoeligheid voor toonhoogte week in tinnituspatiënten niet meetbaar af vergeleken met normaalhorenden. Dit toont aan dat tinnitus niet noodzakelijkerwijs gepaard hoeft te gaan met grootschalige tonotopische reorganisatie. Dit betekent dat bestaande modellen omtrent de oorzaak van tinnitus aanpassing behoeven. Hoewel uit dit onderzoek geen nieuwe behandelingsmogelijkheden voortvloeien, heeft het mogelijk implicaties voor experimentele therapieën die wereldwijd ontwikkeld worden met als doel om de tonotopische organisatie in tinnituspatiënten te herstellen. Momenteel wordt in het UMCG vervolgonderzoek gepland om na te gaan of een dergelijke reorganisatie mogelijk wel een rol speelt in een meerderheid van tinnituspatiënten die daarnaast lijden aan bijkomend gehoorverlies.
Geplaatst: 21-05-2012 08:25
Door:
YerrieH

Sinds 15 mei 2012, zijn alle innovatieprojecten die in 2010 en 2011 met steun van het ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) gestart te vinden op de website www.agentschapnl.nl/volginnovatie . Hiermee wordt inzichtelijk welke bedrijven innovatiegelden ontvangen en wat de resultaten zijn. In totaal is op de site informatie te vinden over meer dan tweeduizend innovatieprojecten. EL&I komt hiermee tegemoet aan een wens van de Tweede Kamer om die projecten inzichtelijk te maken. Van de WBSO-regeling, een korting op de loonbelasting, is het totale fiscale voordeel alleen per provincie opgenomen en niet per bedrijf. Dit in verband met privacy- en concurrentieregels.Projectverhalen en -video’sOp www.agentschapnl.nl/volginnovatie kan ook gezocht worden op speciale subsidies en kredieten voor innovatie of naar de projecten in de negen topsectoren van de Nederlandse economie. Voor een aantal projecten is extra informatie opgenomen in de vorm van een korte film of een artikel over het project.
Geplaatst: 21-05-2012 08:15
Door:
YerrieH

Capsules met lactobacillen kunnen verrassend goed blaasontstekingen voorkomen. Ze zijn minder effectief dan antibiotica, maar het verschil is niet zo vreselijk groot. Bovendien treedt er bij lactobacillen geen resistentie op, terwijl dat bij antibiotica een groot probleem is. Dat blijkt uit een studie onder leiding van AMC-onderzoekers Suzanne Geerlings en Mariëlle Beerepoot. Een publicatie hierover verschijnt 14 mei in de Archives of Internal Medicine.In de periode na de overgang (menopauze) krijgen heel wat vrouwen vaak, tot wel meerdere keren per jaar, urineweginfecties. Zo’n blaasontsteking treedt op omdat de hoeveelheid oestrogeen in hun lichaam daalt, met als gevolg minder ‘goede’ lactobacillen in de vagina. Daardoor kunnen bacteriën die blaasontstekingen veroorzaken de overhand krijgen.Voor postmenopauzale vrouwen die last hebben van steeds terugkerende urineweginfecties bestaan oestrogeencrèmes en tabletten voor vaginaal gebruik. Dat werkt niet altijd. Bovendien vinden veel vrouwen het smeren of inbrengen erg vervelend. De enige remedie is dan een dagelijkse, lage dosis antibiotica om nieuwe blaasontstekingen te voorkomen. Ideaal is dat niet, want op den duur kunnen de bacteriën die de urineweginfecties veroorzaken, resistent worden voor deze medicijnen. Suzanne Geerlings en Mariëlle Beerepoot van de afdeling Inwendige Geneeskunde onderzoeken daarom alternatieven voor antibiotica. Uit eerdere studies bleek dat lactobacillen veelbelovend zijn. Daarom zetten de AMC’ers samen met onderzoekers van het Maastricht UMC een studie op bij een groep van 252 gezonde vrouwen die de menopauze achter de rug hebben. Gedurende twaalf maanden kreeg de helft van hen lage hoeveelheden van het antibioticum co-trimoxazol. De rest kreeg twee keer per dag capsules met daarin de lactobacillen L. reuteri RC-14 en L. rhamnosus GR-1.Voordat ze aan de studie meededen, hadden de vrouwen gemiddeld zo’n zeven urineweginfecties per jaar. Degenen die antibiotica kregen, liepen in twaalf maanden tijd gemiddeld 2,9 urineweginfecties op. De lactobacillengroep had er gemiddeld 3,3. Een hoog percentage vrouwen in beide groepen kreeg minstens één blaasontsteking. Onder de antibioticagebruikers trad de eerste urineweginfectie gemiddeld na zes maanden op, bij degenen die lactobacillen kregen, al na drie maanden. ‘Lactobacillen doen het dus minder goed dan antibiotica’, zegt Geerlings. ‘Maar de resultaten liggen erg dicht bij elkaar, én er treedt geen resistentie op tegen de lactobacillen.’ Tegen de antibiotica wel: een maand nadat de vrouwen ermee waren begonnen, was 80 tot 95 procent van de blaasontsteking veroorzakende E. coli bacteriën resistent geworden. Er zit zeker toekomstmuziek in het gebruik van lactobacillen ter preventie van urineweginfecties, meent Geerlings. De onderzoekers splitsten de resultaten van de studie uit naar vrouwen met urineweginfecties die verder gezond zijn en vrouwen met gecompliceerde blaasontstekingen. Bij deze laatste groep deden antibiotica het stukken slechter en kwamen de lactobacillen er beter uit. ‘Waarschijnlijk omdat deze vrouwen veel vaker antibioticakuren hebben gehad. Daardoor is er meer kans op resistentie’, aldus Geerlings.